WTP-transitie kost pensioenfondsen naar verwachting ruim € 1,1 miljard

1 oktober 2026

De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel kost Nederlandse pensioenfondsen naar verwachting ruim € 1,1 miljard. Alleen al in 2025 ging naar schatting € 330 miljoen op aan de WTP-transitie. Mede daardoor stegen de pensioenbeheerkosten met 15% naar € 1,66 miljard.

Dat blijkt uit de vijftiende editie van Werk in uitvoering bij pensioenfondsen, het jaarlijkse onderzoek van Bell naar de uitvoeringskosten en beleggingsrendementen van Nederlandse pensioenfondsen. De totale uitvoeringskosten bleven in 2025 met € 9,3 miljard vrijwel gelijk aan 2024. De hogere pensioenbeheerkosten werden gecompenseerd door lagere vermogensbeheer- en transactiekosten.

Voor het onderzoek analyseerde Bell de jaarverslagen van 167 pensioenfondsen, waaronder 46 kringen van vijf algemene pensioenfondsen. Samen hadden deze fondsen in 2025 een gemiddeld belegd vermogen van € 1.661 miljard.

WTP-kosten lopen verder op

De pensioenbeheerkosten stegen in 2025 met € 215 miljoen naar € 1.663 miljoen. Per deelnemer namen de kosten toe van gemiddeld € 136 naar € 152, een stijging van 12%.

De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel speelt hierin een belangrijke rol. Van 140 van de 167 onderzochte fondsen is bekend hoeveel WTP-kosten zij over 2025 hebben gerapporteerd. Op basis daarvan raamt Bell de WTP-kosten voor alle onderzochte pensioenfondsen op € 330 miljoen in 2025. Dat komt neer op ruim € 30 per deelnemer en betekent een stijging van bijna 50% ten opzichte van 2024.

Voor de gehele WTP-transitie raamt Bell de kosten voor de onderzochte pensioenfondsen op € 1,13 miljard. De oorspronkelijke raming bij de invoering van de WTP bedroeg € 1,01 miljard en ging uit van ongeveer 200 pensioenfondsen. De bedragen zijn niet één-op-één vergelijkbaar, onder meer door het verschil in aantal fondsen en doordat in de oorspronkelijke raming niet alle advies- en analysekosten waren opgenomen.

Jeroen Koopmans, partner bij Bell: “Wie alleen naar de totale uitvoeringskosten kijkt, mist wat er onder de oppervlakte gebeurt. De WTP-transitie vertekent het beeld van de structurele kosten behoorlijk. Daarom is het belangrijk om tijdelijke transitiekosten apart zichtbaar te maken en fondsen op een vergelijkbare basis te beoordelen.”

Naast de WTP-kosten noemen pensioenfondsen ook algemene prijsstijgingen en hogere bestuurs- en governancekosten regelmatig als verklaring voor de stijgende pensioenbeheerkosten.

Vermogensbeheer- en transactiekosten dalen

De vermogensbeheer- en transactiekosten daalden in 2025 juist. De totale kosten daalden met € 0,2 miljard, van € 7,8 miljard naar € 7,6 miljard. Als percentage van het gemiddeld belegd vermogen daalden zij van 0,48% naar 0,46%.

De afname komt vooral door lagere transactiekosten en lagere prestatievergoedingen. De transactiekosten waren € 130 miljoen lager dan in 2024. Aan prestatievergoedingen betaalden pensioenfondsen € 85 miljoen minder.

De totale kostenratio – de pensioenbeheer- en vermogensbeheerkosten exclusief transactiekosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen – bleef afgerond gelijk op 0,48%.

Gemiddeld beleggingsrendement van -2,8%

De onderzochte pensioenfondsen behaalden in 2025 gemiddeld een beleggingsrendement van -2,8%. De verschillen tussen pensioenfondsen waren groot, met rendementen die uiteenliepen van -14% tot +14%.

Over de vijfjaarsperiode 2021-2025 kwam het gewogen meetkundig gemiddelde rendement van de fondsen die over de gehele periode gegevens publiceerden uit op -0,7% per jaar. De gemiddelde vermogensbeheerkosten bedroegen over dezelfde periode 0,54% per jaar.

Kostenverantwoording verbetert verder

Pensioenfondsen geven in hun bestuursverslagen steeds meer inzicht in hun uitvoeringskosten. Het gebruik van externe benchmarks is toegenomen en ook het aantal fondsen dat een onderbouwd oordeel geeft over het eigen kostenniveau stijgt.

Opvallend is daarnaast dat pensioenfondsen steeds vaker hun pensioenbeheerkosten zowel inclusief als exclusief WTP-kosten rapporteren. Dat maakt het de komende jaren makkelijker om onderscheid te maken tussen de tijdelijke kosten van de transitie en het structurele kostenniveau na invoering van het nieuwe pensioenstelsel.

Johan van Soest, senior actuaris bij Bell: “De echte kostenvraag komt pas na de transitie. Nu lopen tijdelijke implementatiekosten en structurele uitvoeringskosten nog door elkaar. Zodra meer fondsen zijn overgestapt, kunnen we zien welk kostenniveau overblijft en of de verwachte structurele besparingen daadwerkelijk worden gerealiseerd.”

Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2026

Bell brengt jaarlijks de uitvoeringskosten en gerealiseerde beleggingsrendementen van Nederlandse pensioenfondsen in kaart. In Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2026 worden onder meer de pensioenbeheerkosten, vermogensbeheer- en transactiekosten, kostenverantwoording, premiedekkingsgraad en het technisch beleggingsresultaat onderzocht.

Bell Kostenbenchmark

Naast het sectorbrede onderzoek verzorgt Bell de Bell Kostenbenchmark voor bijna 60 individuele pensioenfondsen. Daarin worden pensioenfondsen op een groot aantal onderdelen vergeleken met relevante peergroepen. De benchmark ondersteunt fondsbesturen bij het vormen en onderbouwen van een oordeel over de eigen uitvoeringskosten.

Op onze website is meer informatie beschikbaar over de Bell Kostenbenchmark 2026, waaronder een voorbeeldrapportage.

Voor meer informatie over het rapport of de Bell Kostenbenchmark kunt u uiteraard telefonisch contact met ons opnemen.

“We hebben gemerkt dat onze heldere manier van communiceren van toegevoegde waarde is voor pensioenfondsen, ondernemingen en ondernemingsraden.”

gerelateerde artikelen

2026-10-01T06:13:05+02:00
Ga naar de bovenkant